Inspectie waterbedrijf

Het Drinkwaterbedrijf bepaalt de risicoklasse-indeling van de leidingwaterinstallatie.

 Afhankelijk van de risicoklasse-indeling van de leidingwaterinstallatie in het gebouw (1-5) wordt de inspectiefrequentie van het waterleidingbedrijf en het pakket verplichte beheerstaken (A-D) bepaald. Hieronder vindt u informatie over de risicoklasse-indeling en verplichte beheerstaken.

1. Risicoklasse indeling:
De risicoklassenindeling bepaalt de mate van het gezondheidsrisico voor gebruikers van leidingwaterinstallaties, zowel via de tappunten  als teruggeleverd via het distributienet naar andere verbruikers.

Uitgangspunten indeling:
- kan mede de bezoekfrequentie door drinkwaterbedrijf bepalen
- Heeft als basis de risicoklassenindeling van 2005.
- Houdt rekening met: "risico = kans x gevolg".
- Gaat uit van beveiliging op toestelniveau.

De risicoklasse van een leidingwaterinstallatie wordt bepaald door het drinkwaterbedrijf dat het water levert op het leveringspunt. Er worden 5 klassen onderscheiden. Hoe hoger het risico des te hoger de klasse.
Dit gebeurt op basis van een objectmatrix waarin de volgende zaken een rol spelen:
- vloeistofklassen van de op de tappunten aangesloten objecten.
- de capaciteit van de installatie uitgedrukt in de aanduiding van de watermeter (groter of kleiner dan Qn 6)
- de aanwezigheid van andere leidingnetten
- de kans op wijzigingen van de installatie
- de kwetsbaarheid van de gebruikers conform de LCI-indeling (laag, middel en hoog).

Bij een bepaalde risicoklasse hoort een bepaalde frequentie van inspectie door het drinkwaterbedrijf.
- Risicoklasse 1
- Risicoklasse 2
- Risicoklasse 3
- Risicoklasse 4
- Risicoklasse 5

2. Verplichte beheerstaken:
In het drinkwaterbesluit wordt de controleplicht van de eigenaren van de drinkwaterbedrijven omschreven. Zij dienen zowel te controleren op gevaar voor verontreiniging van het leidingnet, alsook op gevaar voor verontreiniging van water dat aan derden ter bechikking wordt gesteld. In de Inspectierichtlijn wordt dit verder uitgewerkt.

Op basis van het "Advies over de indeling in risicoklassen van
aansluitingen op het waterleidingnet " deelt het drinkwaterbedrijf
leidingwaterinstallaties in risicoklassen 1 t/m 5. (niet te verwarren met vloeistofklasse 1 t/m5)
Dit gebeurt op basis van een objectmatrix waarin de volgende zaken een rol spelen:
- vloeistofklassen van de op de tappunten aangesloten objecten.
- de capaciteit van de installatie uitgedrukt in de aanduiding van de watermeter (groter of kleiner dan Qn 6)
- de aanwezigheid van andere leidingnetten
- de kans op wijzigingen van de installatie
- de kwetsbaarheid van de gebruikers conform de LCI-indeling (laag, middel en hoog).
Eigenaren zijn verplicht een aantal aanvullende beheerstaken uit te voeren, mede afhankelijk van de risicoklasse waarin ze zijn ingedeeld. De aanvullende beheerstaken zijn vastgelegd in "pakketten" (pakket A, B, C en D).
Welk(e) pakket(ten) van toepassing is (zijn) , wordt bepaald door:
- de risicoklasse indeling van de installatie,
- de kans op wijzigingen in de installatie
- en de grootte van de installatie (Qn van de watermeter).

Hoe hoger het risico, hoe meer beheerstaken moeten worden uitgevoerd.
- Pakket A
- Pakket B
- Pakket C
- Pakket D

Voor meer informatie zie www.infodwi.nl